Gijs Scholten van Aschat

Maria Goos spreekt Gijs Scholten van Aschat: ‘Ik vrat de planken op’

Als hij de wenteltrap op komt van het Hoxton hotel herken ik zijn tred. Gijs heeft een paar jaar boven mij gewoond toen we in Maastricht op de toneelschool zaten. Toen hoorde ik hem elke dag de trap op denderen. We hebben samen mooie dingen gemaakt en heftige strijd gehad.

Tekst Maria Goos

‘Ik heb wel het gevoel dat ik nog steeds beter kan worden’

Nu zit ik tegenover die Gijs die ik veertig jaar geleden verweet niet geëngageerd genoeg te zijn. Dat diezelfde man ooit een ongekend royaal aanbod van Joop van den Ende zou afslaan was toen ondenkbaar, ook voor hem, denk ik. ‘Ja wat bood hij veel geld, hè? Maar ik was bang dat ik me zou gaan vervelen.’ Ons gesprek gaat al heel snel over de Akademie van Kunsten, waar hij voorzitter van is geworden. ‘Iedereen is binnen de podiumkunsten blijven doen wat men toch al deed, alleen voor minder geld. En dat is in geen enkele andere sector denkbaar, maar bij ons wel. Als je twaalf jaar viool hebt gestudeerd dan is zo’n instrument een onderdeel van jezelf geworden. Dan denk je: voor minder? Dat moet dan maar.’ Een gesprek over het vak en ondertussen over hoe levens kunnen lopen. Het kan verkeren.

Wat doe je als voorzitter van de Akademie, behalve mooi speechen?

‘Het blijkt dat de politiek op zoek is naar hoe beleid vorm te geven, ik vind het leuk om daarover na te denken en ze van ideeën te voorzien. We proberen met de Akademie ook na te denken over de wens van de politiek om de kunst te spreiden en willen kijken of het aanbod in de Randstad en de vraag uit de provincie samen te brengen zijn, niet door af en toe een reisvoorstelling maar door intensieve samenwerking en verbinding, misschien ook door een soort congres te organiseren om de cultuurwethouders uit de provincie en het aanbod uit de Randstad samen te laten komen om gedachten uit te wisselen en nieuwe mogelijkheden te onderzoeken. De schouwburg moet er voor iedereen zijn en daar zal ik me voor in blijven zetten.’

Wanneer dacht jij: ik wil acteur worden?

‘Wij hadden thuis, in Tiel, een verkleedkist op zolder staan. Ik maakte daar als kind al voorstellinkjes. Maar op school, in de brugklas, die hormonen en alles, ik weet het niet, maar dat ging niet goed. Ik had niet de concentratie om rustig te zitten luisteren. Ik had een handschrift dat ik zelf niet kon lezen. Chaos. Toen ben ik op mijn twaalfde getest, die vrouw zei: “Hij heeft het erover dat hij toneelspeler wil worden.” De conclusie was dat mijn ouders, die allebei gestudeerd hadden, als vanzelfsprekend een hoge intellectuele standaard voor mij hadden bepaald en dat ik daar niet in paste. En dat ik daardoor gefrustreerd raakte. Mijn broer en zus waren heel slim. Op mijn vijftiende verhuisden we naar Amsterdam. Daar ging ik schooltoneel doen. Mijn leraar, Pim Batema, ben ik er eeuwig dankbaar voor dat hij zei: “Luister ’es, wij repeteren drie keer in de week twee uur. Als jij je huiswerk niet af hebt, hoef je hier niet te komen.” Toen dacht ik: bam! Ik ga het doen en toen kon ik het wel. Ik heb het vwo gehaald met behoorlijk goede cijfers.’

En toen ging je de selectie doen voor Maastricht?

‘Ik deed eerst auditie in Amsterdam. Trudy de Jong, die improvisatieles gaf tijdens die audities, heeft toen nog een zak potgrond over me uitgestort. Ik wist niet wat me overkwam, ik was zeventien. Achteraf is het een zegen dat ik niet in Amsterdam aangenomen werd en in Maastricht wel.’

Voelde jij je meteen thuis op school?

‘Ja meteen. Ik had Willem (van de Sande Bakhuyzen) snel als maatje, en ik leerde Peter (Blok) en Pierre (Bokma) ook snel kennen. Ik voelde wel dat ik een bal was, met mijn hockeysjaal en mijn zegelring en ik dacht: dit is geloof ik niet helemaal de bedoeling hier, maar kom op zeg, fuck it, ik hoef me er toch ook niet voor te schamen?’

Ik herinner me jou als een hele harde werker, maar niet zo’n opvallend talent als Pierre. Hoe waren je beoordelingen?

‘Redelijk tot goed. Ik was best wel gesloten op het toneel, daar moest ik wel aan werken. Je zag bij mij erg de techniek. Ik moest werken aan ‘kwetsbaarheid’ werd er steeds gezegd.’

Begreep je dat ook?

‘Ik was toen al heel erg nerveus. Ik moest toen al overgeven voor een presentatie. Als ik aan het spelen was dacht ik alleen maar: ik moet mijn zenuwen bedekken met een scherm van ‘niks aan de hand’. En blijkbaar deed ik dat zo goed dat je alleen maar dat scherm zag.’

Ik heb die zenuwen nooit gezien. Ik zag alleen maar zelfverzekerdheid, ambitie, aanwezigheid.

‘Docenten zagen het ook niet. Die zeiden alleen maar: “Je doet net of er niets aan de hand is.” En dan dacht ik: niets aan de hand? Er is zo veel aan de hand, dat als ik dat niet onder controle houd, ik niet meer op durf. Ik sta hier bijna te sterven. Maar door die nervositeit had ik enorm veel adrenaline en een enorme aanwezigheid op het toneel. Ik was doodsbenauwd voor groepsdynamica waarin we onze gevoelens moesten bespreken. Ik vond gevoelens eng.’

Wist je dat? Dat je daar zo bang voor was?

‘Nou, vanaf dat ik kinderen kreeg vond ik het makkelijker om met gevoelens om te gaan. Ik kon ineens wél bij die kwetsbaarheid. Er ging een ander luik open toen. Ik keek in die tijd naar een film: Reise der Hoffnung. Je ziet daarin een Turks gezin dat over de bergen in Zwitserland trekt om in de chocoladefabriek te gaan werken. En die vader vertrekt met zijn zoon. Ze overleven twee sneeuwstormen. Ze komen aan bij het politiebureau in Zwitserland, en die zoon, die hij tegen die tijd in zijn armen draagt, blijkt dan dood. Ik kon alleen maar huilen, ik zei tegen Judith: ‘Hier kom ik niet meer overheen.’ Ik moet er weer van huilen, vreselijk, vreselijk. Wij leefden toch voor de lol? Voor de hartstocht en het werk. En dan krijg je kinderen, en het idee dat er iets met je kind gebeurt, dat is zo ... Dat verandert de structuur van je emotionele leven voor altijd.’

Durfde je vanaf toen die kwetsbaarheid te laten zien?

Gijs Scholten van Aschat ‘Lou Landré is daarin voor mij ook heel belangrijk geweest. Daar speelde ik heel vaak mee. Ik was een actieve speler, ik zette de boel naar mijn hand. Ik was wel heel erg aanwezig maar in mijn eigen zone en of er verder nog iemand stond maakte mij niet uit, ik vrat de planken op. Bij jonge voetballers zie je dat ook. Geen samenspeler, ja, wel op mijn manier, maar die was nogal egocentrisch. Toen zei Lou: “Je moet ook eens genieten van je woorden. Je moet ook eens iets vangen. Luisteren.” Ik dacht: luisteren? Ik was alleen maar bezig met: wanneer mag ík weer. Lou leerde mij zachtheid. Hij zei ook: “Je moet niet zo duwen, je moet niet zo veel kracht gebruiken.” Dat die opmerking zo belangrijk voor me zou worden realiseerde ik me pas later. Ik denk dat ik toen een beter acteur ben geworden. Wat geweldig dat een collega zo’n belangrijke invloed op je carrière kan hebben. Peter (Blok) is daarin ook heel belangrijk voor me geweest. Want ik was een stoute acteur. En ik verveelde me snel. En ik maakte veel gein. Ik nam het in lichtere stukken niet zo serieus. Ik kwam er wel mee weg. En Peter zei op een gegeven moment: “Weet je dat het veel minder energie kost als je het echt goed doet? Om er echt voor te gaan?” Dat was denk ik tijdens Cloaca. Dat was een impliciete correctie die ik me aangetrokken heb. Ik ben nu ook niet meer zenuwachtig. De gedragstherapie heeft goed geholpen. Ik ben veel meer gaan genieten van het spelen.’

Waardoor hielp die therapie?

‘Dat overgeven voor de voorstelling, dat deed ik op een gegeven moment zelf, als een soort ritueel, omdat ik bang was dat het anders op het toneel zou gebeuren. Die therapeute zei: “Je gaat helemaal open kaart spelen met je collega’s, je gaat het vertellen en je gaat overal emmers op het toneel zetten. En als het gebeurt dan gebeurt het en dan is dat oké.” En iedereen zei: “Vanavond emmers op het toneel? Oké, prima, doe maar.” En toen gebeurde het niet en dat werd een omslag. Het geheim werd een gedeelde verantwoordelijkheid. Daarna kon ik zachter, opener spelen.’

Jij was degene die in de ogen van velen op school een nogal pragmatische aanpak had. Je wilde niet iets politieks, of geëngageerds. Dat is je toen wel nagedragen. Moet je kijken hoe het in de praktijk heeft uitgepakt.

‘Ja dat is wel ironisch. Ik heb heel veel mensen in mijn omgeving gezien die in de eerste helft van hun carrière allerlei overtuigingen hadden over hoe je in het vak zou moeten staan en heel veel van die mensen hebben al die overtuigingen later overboord gegooid. Het gaat zoals het gaat, maar ik ben wel erg veroordeeld.’

Ja ook door mij, hè?

‘Ook door jou, ja. Maar goed, jij bent wel altijd trouw gebleven aan wat je wilt maken.’

Hoe gaat het nu met het toneel?

‘Ik zou willen dat jonge regisseurs meer de grote zaal ingaan. Ik ben, los van de Akademie overigens, bezig met private kunstfondsen om te kijken of ze geld voor jonge regisseurs in de grote zaal willen vrijmaken.’

Is er genoeg repertoire voor de grote zaal?

‘Meer dan. Er zijn 120 Nederlandse stukken die soms maar één keer gespeeld zijn. Peer Wittebols, Ger Thijs, jij, Karst Woudstra. Allemaal schrijvers voor de grote zaal. Zwarte Pool, Hofscènes, Het chemisch huwelijk van Komrij ... Ik zou het zo willen spelen. Er wordt te weinig repertoire voor de grote zaal aangemaakt. De stukken die wel lukken zijn evenementen zoals The Nation en Borgen.’

Grote gezelschappen moeten schrijvers wel de kans geven om dat repertoire te maken. Toneelgroep Amsterdam blinkt daar niet in uit.

‘Dat doet Eric de Vroedt bij Het Nationale Theater erg goed en Orkater ook. Ik zou inmiddels zelf wel weer heel graag weer iets voor de grote zaal willen maken zoals Richard III. Het liefst in combinatie met mijn werk bij Toneelgroep Amsterdam, maar ik denk niet dat een eigen project van mij daar in past.’

Wat vind jij de functie van theater voor de samenleving?

‘Ik vind het leven soms ingewikkeld. Door een voorstelling als Revolutionary Road begrijp je soms iets meer van jezelf en van het leven. Vaak begrijp je het groter geheel doordat je het detail laat zien. Er zitten in die voorstelling zo veel momenten van keuzes die je in het leven moet maken. We hebben dingen verloren en we doen het niet altijd goed, we hebben krassen op onze ziel en we modderen maar wat aan. Dat herkennen via toneel, dat verbroedert.’

Heb jij nog het gevoel dat je je moet bewijzen?

‘Als ik kritieken zou krijgen in de trant van: ‘Jammer dat Gijs het niet helemaal haalt’, dan zou ik dat heel erg vinden. Maar ik ben daar niet bang voor. Ik heb wel het gevoel dat ik nog steeds beter kan worden.’

Er passeert een prachtige jonge vrouw die vriendelijk naar ons knikt. ‘Lekker wijf zeg,’ fluistert Gijs. Er is veel veranderd in onze levens. Maar niet alles.

Gijs Scholten van Aschat (Doorn, 1959)

Gijs Scholten van Aschat • Speelde vooral bij het Nationale Toneel, Orkater en Het Toneel Speelt. In 2010 trad hij op verzoek van Ivo van Hove toe tot Toneelgroep Amsterdam. Eerder dat jaar maakte hij bij Orkater, een spraakmakende bewerking van Richard III van zijn geliefde Shakespeare met muziek van Tom Waits.
• Schreef zelf ook succesvol toneel zoals The Prefab Four, een muziektheaterproductie, ook van Orkater, gemodelleerd naar The Monkees.
• Won een Arlecchino (1983) voor Midzomernachtsdroom en een Louis d’Or (1993) voor Decadence en twéé Gouden Kalveren.
• Droeg elf jaar de van Pierre Bokma gekregen Albert van Dalsumring, voordat hij deze op zijn beurt overdroeg aan Hans Kesting.
• Acteerde in veel films waaronder Cloaca, Tirza en Publieke werken en tv-series als Pleidooi, Oud Geld en Annie M.G. Schmidt.
• Is een van de weinige acteurs die zich altijd inzette voor een goed kunstklimaat en was dan ook een van de eerste leden van de Akademie van Kunsten waarvan hij sinds augustus 2017 voorzitter is.

Verschenen in Theatermagazine Scenes februari 2018

Meer weten