Column: Pleidooi voor theaterdirecteuren met vakkennis

Ik wil niet zeuren, maar ik vind dat Raden van Toezicht van theaters verplicht zouden moeten worden om De Ambachtsman van Richard Sennett te lezen. Sinds de meeste theaters van stichtingen zijn overgestapt op het Raad van Toezicht model is er iets veranderd.

De bestuursleden in de oude stichtingsbesturen werden bevolkt door mensen die een grote binding hadden met de stad, de cultuur, met het maatschappelijk en politieke speelveld. Tegenwoordig zie je dat de oud-politici, de diehard-cultuurliefhebbers, mensen die anderszins maatschappelijk actief waren, zijn vervangen door makelaars, bankmanagers en andere lieden uit het bedrijfsleven. Het is de stille tocht van de VVD door de instituties.

Achterliggende gedachte: als we maar mensen uit het bedrijfsleven in de besturen van de theaters zetten dan worden die instellingen efficiënter bestuurd. Het vervelende daarbij is dat het type VVD’er de afgelopen decennia is veranderd. Het Oude Geld met culturele bagage is vervangen door de HEAO’er met zero culturele bagage. De makelaars, de bankemployees en andere excelsheet ridders doen hun werk. Bij de keuze van een nieuwe theaterdirecteur wordt er vaak iemand uit het bedrijfsleven genomen. Soort zoekt soort. Zo worden organisatieadviseurs opeens theaterdirecteur, evenals hoteliers, productmanagers en dierentuindirecteuren.

Is daar iets mis mee? Ja zeker. Deze mensen hebben mogelijk verstand van managen, maar weten niets van theater. Dat kunnen ze wel krijgen, maar te vaak zorgen ze ervoor dat theaters routinematige, bloedeloze instellingen worden. Goed managen is bij het leiding geven aan een theater van levensbelang, maar is slechts een deel van het verhaal. Uiteindelijk gaat het erom een theater een ziel te geven, te laten vliegen.

Terug naar Richard Sennett. Het boek van Sennett zorgt voor een herwaardering van het begrip ambacht. Ik ben er van overtuigd dat theaterdirecteur een vak is, een ambacht. Een vak dat je moet leren. En als zoveel ambachten leer je het vak voornamelijk door de praktijk. Een theater heeft zijn eigen gewoontes en wetten. Die begrijp je pas door er daadwerkelijk in te werken. Niet voor niets dat vroeger de meeste theaterdirecteuren uit het theater zelf voortkwamen. Gebeurt tegenwoordig dus steeds minder. Een grote vergissing. Voor het vak heb je namelijk toch echt vakkennis nodig is. Wie programmeert zal kennis moeten hebben van het aanbod, het publiek, de bedrijfsvoering die, anders dan bij een makelaardij, nooit winstgevend is te krijgen. Nee, wethouder, makelaar, CEO en CFO, geloof me nou maar, zet het uit jullie hoofden: een theater is nooit winstgevend te krijgen. En alles wat Halbe Zijlstra daar anders over zei, was net zo’n leugen als zijn verhaal over die datsja. 

Ik hou dus een pleidooi voor theaterdirecteuren die het vak van binnenuit hebben geleerd. Voor het oude model, zeg maar: leerling, gezel, meester. Ik bedoel dus de Nel Oskammen, de Leo Potten, de Frans Lommersen, de Roel Oostra’s, om nog maar eens een oude meester te noemen.

Gerard Tonen is schouwburgdirecteur geweest in Leeuwarden en Apeldoorn, was daarna acht jaar zakelijk leider van Het Zuidelijk Toneel en is nu producent, schrijver en fotograaf. Deze colum verscheen in ons decembernummer.

Tags: