Column: Magie in de repetitieruimte

Een regisseur vertelde me eens dat de mooiste dingen vaak in de repetitieruimte gebeuren. Waar magie ontstaat die soms zo overweldigend is dat spelers het niet meer kunnen reproduceren. We waren veel in de repetitielokalen voor het februarinummer. Maar overal was het anders.

In Maastricht werd de eerste bijeenkomst voor La Superba een feestje compleet met vrienden, vlaai en pers. In het Bijlmerparktheater zagen we vlak voor kerst de cast van Woiski vs Woiski van Orkater zwoegen. Sommige spelers waren nog op tournee met De Blackout van 77. Overdag repeteren en 's avonds spelen in Alkmaar of Arnhem. Dubbelen heet dat in jargon. Slopend is dat. Die vermoeidheid was zichtbaar.

Weer heel anders was het in de studio's van de Toneelschuur waar regisseur Nina Spijkers voor Geluk een werkwijze volgt die lijkt op wat mimers doen. Een clubje mensen trekt zich met enkel en alleen een uitgangspunt terug in de repetitieruimte om daar acht weken later met een complete voorstelling uit te komen. En ook al kun je -zoals Spijkers terecht zegt- met een bekend repertoirestuk ook de plank misslaan, zo vanuit het niets iets maken, blijft in mijn ogen een uitzonderlijk, wonderlijk proces. Dat kan ook alleen maar lukken als mensen elkaar helemaal vertrouwen. Maar dat geldt evenzeer voor de cast van Woiski vs Woiski, waar dan weliswaar een script beschikbaar is, maar die tekst is nog nooit gespeeld. En dus moeten regisseur en spelers op de vloer uitvinden wat wel en wat niet werkt.

Bij Geluk ben ik vier keer gaan kijken. Het laatst zo'n vier weken voor de première. Daarna wist ik nog steeds niet precies wat voor soort voorstelling het zou gaan worden. De makers ook niet. Dat is ook magie.

Foto: Regisseur Servé Hermans tijdens de eerste lezing van La Superba van Toneelgroep Maastricht, fotgraaf: Bjorn Frins.

Deze tekst van Jos Schuring is de openingsscène van ons februarinummer.